Hoe de vakbond langzaam maar zeker ten onder gaat

okt 28, 2015 by

Hoe de vakbond langzaam maar zeker ten onder gaat

Vandaag kibbelden de FNV en het CBS over het volume van het ledenverlies van de vakcentrale. Het CBS becijferde het op meer dan 60.000, de FNV op iets meer dan 20.000. Hoe het ook moge zijn, de vakbond als strijdmiddel is op zijn retour: de vakbond trekt nauwelijks jongeren aan. Althans, dat is de oppervlakkige conclusie. Onder de cijfers is er meer aan de hand.

Het aantal leden van 45 jaar en ouder bleef de afgelopen tien jaar weliswaar stabiel, maar het aantal jongeren (jonger dan 25 jaar) was met zeker een derde gedaald. Ook in de leeftijdscategorie 25 tot 45 jaar zijn er iets minder dan 250.000 leden minder dan in 2005. Het CNV is stabiel gebleven, maar het FNV heeft moeten incasseren. Dat zijn echter geen statische cijfers.

Sinds het laatste dieptepunt omstreeks 1990 heeft de vakbond flink kunnen profiteren van de toeloop van vrouwelijke leden, bijna een verdubbeling volgens het CBS. Dit heeft het verval van het aantal mannelijke leden tussen 1995 en 2015 (maar liefst 400.000) kunnen maskeren. In 2000 werd er in Trouw nog gesproken van een bescheiden groei (0,1%).

De macht van de vakbond is niet alleen gedaald in absolute zin, maar ook in relatieve zin: in 1967 was iets minder dan 40% van de werknemers lid van de ‘bond’, in 2011 was dat 20% en sindsdien verder gedaald. Verder is er volgens de laatst aangehaalde link naar het CBS ook een geografisch verschil in organisatiegraad. In het hoge noorden van Nederland lag in 2011 de organisatiegraad op omstreeks 30% en in het zuiden (Brabant en Limburg) lag deze omstreeks de 17%.

Een onbesproken factor is de lage organisatiegraad van allochtonen. In 2011 was deze lager (15%) dan die van de geografische regio met de laagste organisatiegraad (Brabant met 16%). Deze cijfers zijn des te opmerkelijker aangezien de organisatiegraad juist hoger is bij laagopgeleiden met alleen basisonderwijs of beroepsonderwijs (21%).

De belangrijkste factoren voor arbeidsorganisatie zijn de arbeidsrelatie en de arbeidsduur. Werknemers met een vaste baan zijn drie keer zo vaak lid van de bond als werknemers zonder vast contract (23% tegen 8%) en mensen met een voltijdbaan zijn beter georganiseerd (24%) dan deeltijders (12%). Aangezien vrouwen vaker in een deeltijdbaan werken (75% van de vrouwen werkt in een deeltijdbaan tegen iets meer dan 20% van de mannen) en eerder geneigd zijn om een flexibele baan te kiezen is de relatieve en absolute afname van de arbeidsorganisatie voor een aanzienlijk deel toe te schrijven aan de stijgende arbeidsparticipatie van vrouwen.

De ironie van de huidige sociaaldemocratie is dat twee van door hun gekoesterde doelgroepen (vrouwen en allochtonen) juist dezelfde groepen zijn die het laagste scoren op de arbeidsorganisatiegraad. Het wordt tijd dat de sociaaldemocratie weer terug gaat naar de kerntaak van arbeidsvoorwaarden in plaats van het pamperen van ‘minderheidsgroeperingen’ (“Met minderheden meer mogelijkheden”) die nauwelijks bijdragen aan de arbeidersstrijd.

1 Comment

  1. Willem

    De Fnv,ook zo een links zakkenvullend clubje dat vanuit een ivoren toren de wereld zogenaamd verbeterd,en niet thuis geeft als je ze als lid nodig hebt.
    Bah,net zulke volksverlakkers als de PVDA.

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.